Instelling en werkeenheden
De norm kan gebruikt worden bij de zelfevaluatie en toetsing van de instelling als geheel en van de afzonderlijke werkeenheden.
Per afzonderlijke werkeenheid zal doorgaans wel duidelijk zijn welke normelementen niet van toepassing zijn. Soms is de normtekst bedoeld voor een regeling die per se op instellingsniveau plaats moet vinden, bijvoorbeeld vanwege het belang van het onderwerp, de betrokkenheid van veel werkeenheden of omdat derden dat van de instelling vragen. In andere gevallen kan regeling op het niveau van een werkeenheid plaatsvinden. De norm heeft twee tekstformuleringen voor het bepalen van de normadressaat (dat is degene die aan het normelement moet voldoen).
- De normtekst begint met ‘De instelling …’: in dat geval móet er sprake zijn van een regeling op instellingsniveau en kàn er (daarnaast) sprake zijn van een regeling op werkeenheidniveau. Die laatste kan bijvoorbeeld een concrete uitwerking voor die werkeenheid betreffen, zoals specifieke werkinstructies. De regeling van de werkeenheid moet wel passen in de instellingsregeling. Overigens kan de regeling op instellingsniveau voor bepaalde werkeenheden bijzondere bepalingen (uitzonderingen) behelzen.
- De normtekst begint met ‘Er is …’: in dat geval móet er sprake zijn van een regeling op minimaal werkeenheidniveau en kàn er (daarnaast) een regeling op instellingsniveau of voor een omschreven aantal werkeenheden bestaan. Voor de werkeenheid uiteraard voor zover het betreffende normelement van toepassing is.
Zie ook zelfevaluatie, instelling, werkeenheden
